23 januari 2018 Deel dit artikel

Een oude discussie die steeds uitmondt in dezelfde vragen: dient de inspecteur voor het regelen van een aanslag alleen het dossier van de belastingplichtige te raadplegen? Reikt zijn zorg- en onderzoeksplicht verder en dient hij ook het dossier van diens partner te controleren alvorens hij overgaat tot het opleggen van een aanslag? Normaal gesproken hoeft dit niet, zo oordeelde onlangs het Hof Den Bosch1.

Wat was de aanleiding voor deze vraagstelling?

Een man was gehuwd in gemeenschap van goederen met zijn echtgenote en runde een onderneming. De onderneming was vóór het overlijden van de vrouw ingebracht in een besloten vennootschap. De aandelen in deze besloten vennootschap behoorden tot de huwelijksgemeenschap van de man en de vrouw. De vrouw overleed en haar echtgenoot zette de activiteiten van de besloten vennootschap voort. De erfgenamen diende als gevolg van het overlijden van de vrouw een F-biljet (inkomstenbelasting) in bij de Belastingdienst. Bij het doen van de aangifte inkomstenbelasting namen zij geen inkomen uit een (fictieve) vervreemding van een aanmerkelijk belang (zogenaamde ab-claim) op. De inspecteur stelde vragen aan de erfgenamen omtrent het niet opgeven van dit inkomen. De erfgenamen berichtte de inspecteur dat zij verzochten om doorschuiving van de ab-claim over het ondernemingsvermogen.

Uitkomst van de procedure

Na enige tijd legde de inspecteur aan de erfgenamen een navorderingsaanslag op. De onderbouwing van de navorderingsaanslag was gestoeld op het feit dat de besloten vennootschap ook nog beleggingsvermogen bezat waarover de doorschuiving van de ab-claim niet van toepassing is. De erfgenamen beriepen zich op het feit dat de inspecteur voor het opleggen van de navorderingsaanslag niet beschikte over een nieuw feit, wat nodig is om na te kunnen vorderen. Hof Den Bosch concludeerde anders. Bij de beoordeling mag de inspecteur vertrouwen op de juistheid van de ingediende aangifte door de erfgenamen. De inspecteur hoeft andere dossiers niet in te zien en heeft geen verplichting om andere dossiers (zoals die van de echtgenoot) in te zien. Geeft de aangifte enige reden tot twijfel ten aanzien van de juistheid ervan, dan moet de inspecteur wel onderzoek doen. In casus maakte de ingediende aangifte een correcte indruk en behoefde de inspecteur géén onderzoek te doen, aldus het hof. Het hof concludeerde dat de Belastingdienst rekening mocht houden met het feit dat er geen sprake was van enig belast aanmerkelijk belang inkomen. De inspecteur mocht namens de Belastingdienst in casus dus navorderen. De erfgenamen kwamen niet helemaal geschonden uit de procedure, het hof verlaagde wel de hoogte van de aanslag.

1 Hof Den Bosch 6 oktober 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:4291

Bron: Henrik de Weert | Belastingadviseur

Laat ons u bellen